Grip op de buitenruimte

Publicatie Hank van Tilborg 14 november 2016, Amersfoort

Grip op de buitenruimte vereist naast groene vingers vooral krachtige handen

In het onlangs uitgebrachte magazine ‘buitenruimte van betekenis’ breekt de Rijksbouwmeester een lans voor de buitenruimte. Ik pik er een paar zaken uit. Zijn advies bijvoorbeeld om bij ontwerp en beheer van de buitenruimte optimaal in te zetten op de verbinding met de context. Dat spreekt mij als landschapsarchitect van de Wageningse school zeer aan. Ik zou haast zeggen: uiteraard.

Ook het pleidooi van Floris Alkemade voor de inzet van ontwerpkracht is me uit het hart gegrepen. Ik denk dat de landschapsarchitect een leidende rol kan nemen om buitenruimte-ontwerp te verbinden met actuele maatschappelijke thema’s en opgaven. Of het nu gaat om onze gezondheid, de uitdaging rond de energietransitie, werken aan een klimaatbestendige stad of slim omgaan met erfgoed. Met een goed ingerichte buitenruimte is bij uitstek de verbinding met de maatschappij te leggen, als linking pin tussen gebouw en maatschappij.

Maar ik wil vooral een ander punt uit het advies van de Rijksbouwmeester pakken. Hij geeft aan dat bij DBFMO-projecten bestendiging van aandacht voor de buitenruimte vereist is. Het is belangrijk goed grip te houden op de kwaliteit van de buitenruimte, zeker bij het Rijksvastgoed. Dit ben ik met hem eens.

Tegelijk ben ik hoopvol gestemd: ik heb met het Rijksvastgoedbedrijf goede ervaringen de laatste tijd bij de grote geïntegreerde aanbestedingen. De praktijk van DBFMO-projecten biedt juist de landschapsarchitect een uitgelezen kans een grote, zo niet doorslaggevende bijdrage aan het ontwerp en een hoge(re) kwaliteit te leveren. DBFMO biedt, mits goed toegepast, prettige mechanismes die je als ontwerper op een goede plek, centraal in het proces zetten. Immers: niet alleen de inrichting maar ook het beheer maken onderdeel uit van de uitvraag. Zo kan langdurige betrokkenheid van de ontwerper vastgelegd worden. Daarnaast is het cruciaal dat de gunning (ook) plaatsvindt op kwaliteit en niet (alleen) op prijs, zoals bij recente DBFMO-projecten als het Nationaal Militair Museum (NMM) in Soesterberg en de nieuwbouw van het RIVM in Utrecht. Zo krijgt de ontwerper een centrale rol in het proces.

Bij het NMM hadden wij een sterke rol: niet op het eind even het groen rond het gebouw ‘inkleuren’, maar medebepalen waar het gebouw komt te staan, hoe het er staat, wat de hoogte moet zijn en de kleur. Dit natuurlijk in nauwe samenspraak met architectenbureau Felix Claus Dick van Wageningen architecten.
Voor de nieuwbouw van het RIVM op de Utrechtse Uithof bepaalden wij mede waar het gebouw komt te staan. Ook dachten en beslisten we mee over de interne organisatie van het complex met grote atria op hoogte, gericht op het omringende landschap. Niet toevallig overigens met dezelfde architect. De hoofdkeuze om iedereen een werkplek aan de glazen gevel met uitzicht op de omgeving te geven, is vanuit landschappelijke overwegingen ingegeven.

Hiervoor is wel wat nodig: kwaliteit in de uitvraag en de begeleiding. Het vereist krachtige handen van de aanbestedende dienst. Samengevat komt het neer op:

  • Een inhoudelijk goed geformuleerde, functionele uitvraag: wat wil je als resultaat en vooral ook waarom (bij voorkeur door zelf goede mensen met kennis van zaken in huis te hebben).
  • Een inhoudelijk goede selectie door een gekwalificeerde beoordelingscommissie.
  • Ruimte voor een inhoudelijke dialoog waarbij het functioneel programma van eisen ter discussie kan worden gesteld in een zoektocht naar optimalisatie.
  • Een integrale uitvraag, inclusief langdurig onderhoud van de buitenruimte (dit is cruciaal om kwaliteit te kunnen leveren);
  • Betrokkenheid (en mandaat!) van de landschapsarchitect aan zowel opdrachtgevers- als opdrachtnemerskant. In ieder geval tot aan de oplevering, maar liefst ook daarna. Het is niet alleen van het grootste belang dat al in de ontwerpfase goede kennis van beheer en aanleg in het project georganiseerd wordt maar ook dat de ontwerper in de aanleg- en beheersfase betrokken wordt en blijft als vraagbaak en controleur. Anders gaat het vroeg of laat alsnog mis.

Dit kan vast alleen bij DBFMO, hoor ik u denken. En: geldt dit niet alleen voor grote en prestigieuze projecten waar op topkwaliteit gemikt wordt, de uitzonderingen dus? Nee: exact dezelfde principes zijn in te zetten in kleinere, minder prestigieuze projecten. Kwaliteit kent geen schaal en vereist niet per se veel geld. Wel aandacht en zorg. Dit hardnekkige misverstand wil ik hier graag wegnemen. Juist hier is een wereld te winnen. Het vereist kennis van zaken van de betrokkenen en het vraagt maatwerk. Natuurlijk kan bij een eenvoudig buitenruimte-project het programma van eisen dunner zijn en de selectiecommissie of het aantal contactmomenten in de dialoog kleiner. Maar de mechanismen zijn exact hetzelfde als bij een groot en complex DBFMO-project als het NMM. Ik gun het iedereen: sterke handen naast groene vingers.

Lees hier een samenvatting van het Advies van Atelier Rijksbouwmeester >

Download 'Buitenruimte van Betekenis'